Verslag door Branko Popovic
De jaarlijkse modeshow van de Gerrit Rietveld Academie liet eens te meer zien waarom de opleiding een bijzondere plaats inneemt binnen het Nederlandse modeonderwijs. De show, die plaatsvond in De Hallen Studio, bracht het werk van afstuderende studenten samen met bijdragen van eerstejaarsstudenten.
De editie van dit jaar werd gekenmerkt door een reeks vragen in plaats van uitspraken. Wanneer is een modeshow openbaar? Wie mag er getuige van zijn? Modeshows vinden traditioneel achter gesloten deuren plaats, vergen een enorme hoeveelheid werk en blijven toch alleen toegankelijk voor een select publiek. De Rietveld-show daagde deze conventies uit door zich ergens tussen performance, tentoonstelling en het openbare leven te positioneren. In plaats van mode te presenteren als een afgewerkt product dat bestemd is voor de straat, onderzocht de show hoe mode juist al voortkomt uit de straat, uit gemeenschappen, rituelen, herinneringen en lichamen.
Het resultaat was een presentatie die speels en ongedwongen overkwam. Terwijl veel afstudeertentoonstellingen vaak verzanden in conceptuele ambities, waren de optredens hier juist succesvol dankzij de helderheid van de bewegingen. De werken maakten vaak gebruik van eenvoudige maar doeltreffende performatieve handelingen, waardoor de verhalen en materialen voor zichzelf konden spreken zonder overdreven spektakel.
Over het geheel genomen bracht de afstudeerklas van 2026 een samenhangend geheel van thema’s naar voren. De collecties bewogen zich vaak tussen het persoonlijke en het collectieve, waarbij mode werd gebruikt als instrument om identiteit, herinnering, erfgoed, gender en lichamelijke ervaring te verwerken. In plaats van te proberen sociale kwesties op te lossen of het publiek te overweldigen met theoretische kaders, werkten de ontwerpers vanuit specifieke levenservaringen. Rituelen van volwassenwording, familiegeschiedenissen, zintuiglijke gevoeligheden, archieffragmenten, queer-fantasieën en lichamelijke autonomie werden uitgangspunten voor bredere reflecties over hoe we in de wereld staan.
De centrale gedachte achter de tentoonstelling – de vraag waar mode ontstaat en aan wie ze toebehoort – voelde relevant aan. Door de grenzen tussen artiest en publiek, kostuum en kleding, persoonlijk verhaal en publieke presentatie te laten vervagen, liet de Gerrit Rietveld Academie zien dat mode een ruimte kan zijn voor kritische reflectie zonder haar emotionele weerklank te verliezen.



Rituelen van transformatie
De show begon veelbelovend met Mikołaj Szwaja’s Funeral of My Childhood, dat zich ontvouwde als een collectief ritueel met muzikanten en een koor dat volledig in het zwart was gekleed. In plaats van rouw straalde de voorstelling een gevoel van optimisme uit. Opgevat als een symbolische begrafenis van de kindertijd, markeerde het een overgang naar volwassenheid, artistieke praktijk en zelfdefinitie. De ceremoniële sfeer zette meteen de toon voor de show.
Veel afstuderende studenten benaderden mode als een middel voor persoonlijke verhalen, vaak geworteld in herinneringen, familiegeschiedenis of beleefde ervaringen.

Het slotoptreden van Feliz Aaliyah Sánchez Buitrago vormde een energiek tegenwicht voor het openingsritueel. Haar project, World of Feliz, culmineerde in een vrolijke dansvoorstelling op de klanken van R&B-nummers uit de jaren 90. Het werk, dat putte uit haar Colombiaanse afkomst, spirituele verwijzingen, familieherinneringen en de invloed van artiesten als Aaliyah, toverde de catwalk om tot een viering van veerkracht, afkomst en genezing.
Familieleden spelen in haar werk niet alleen een rol als onderwerpen, maar ook als medewerken en inspiratiebronnen. Via een intuïtief werkproces op basis van bestaand materiaal creëerde Sánchez Buitrago een wereld waarin verschillende culturele verwijzingen samensmelten tot een levendig en emotioneel landschap.
Kleding als zintuiglijke ervaring
Een opvallende rode draad in verschillende collecties was de nadruk op het lichaam als bron van zintuiglijke ervaringen, in plaats van op een geïdealiseerd uiterlijk.

Evelina Nanny Eliassons collectie All I Can Take is voortgekomen uit een zeer persoonlijke verkenning van zintuiglijke overgevoeligheid. Ze begon met het ongemak van kledinglabels, strakke taillebanden en stijve stoffen, en transformeerde tweedehands kledingstukken tot ontwerpen die draaien om lichamelijk comfort. Haar collectie stelde conventionele aannames over pasvorm en draagbaarheid ter discussie. Losse silhouetten konden intiem aanvoelen; nauwsluitende kledingstukken konden bijna onmerkbaar worden. In plaats van mode als visueel spektakel stelde Eliasson mode voor als een onderhandeling tussen lichaam, materiaal en sensatie.



Ook in de Skin Potions van Estefania Escalona Millano stond belichaamde kennis en zintuiglijke relaties centraal. Haar voorstelling onderscheidde zich door haar dramaturgische opzet, het creëren van intimiteit en de manier waarop ze de overkoepelende vraagstellingen benaderde. Wat onderscheidt een toeschouwer van een voorbijganger? Kan de voorstelling een fragment uit het leven zijn en daarin verankerd raken?
Het werk, dat de diversiteit van het vrouwelijk lichaam viert, onderzocht de verbanden tussen mensen en hun ecosystemen. Natuurlijke elementen zoals zeewater speelden een actieve rol in het ontwerpproces en leidden tot kledingstukken en bewegingen die een rituele uitstraling hadden. Plezier, intuïtie en de reactie van het materiaal vormen de kern van de methode, die mode beschouwt als een levendig proces van uitwisseling in plaats van als een statisch object.
Archieven, fantasie en herwaardering
Sommige afgestudeerden gebruikten mode om overgeleverde geschiedenissen en culturele verhalen in een nieuw licht te plaatsen.


Voor Johanne Fage-Larsen is kleding dragen in wezen een vorm van performance. In The Pieces That Escaped the Archive transformeerde ze fragmenten van historische kledingstukken, antieke stoffen en documenten uit de achttiende en negentiende eeuw tot kwetsbare papieren kostuums. De collectie deed de grenzen tussen mode, kostuumkunst en archiefpraktijk vervagen. Door afgedankte materialen en vergeten fragmenten een nieuwe bestemming te geven, stelde Fage-Larsen heersende opvattingen over waarde en schoonheid ter discussie, terwijl ze het verkleden omarmde als artistieke methode.


Ondertussen benaderde Joris Janssen met zijn merk SO OBSESSED de mode vanuit de queer-cultuur en de camp-esthetiek. Vanuit een fascinatie voor de verering van diva’s onderzocht Janssen waarom iconische vrouwelijke artiesten zo’n centrale plaats innemen binnen queer-gemeenschappen. Zijn conclusie – dat diva’s via fantasie en camp een uitweg bieden uit de heteronormatieve cultuur – vormde de basis voor een collectie die bekende mannelijke stereotypen op een nieuwe manier interpreteerde.
Door middel van upcycling werden archetypes als preppy boys en jongens in trainingspakken opgenomen in uitgebreide diva-fantasieën. De collectie was speels, humoristisch en politiek scherp, en stelde vragen als: Wat als een jongen in trainingspak zich bij een meidengroep zou aansluiten? Wat als studenten van een studentenvereniging te maken zouden krijgen met kledingongelukjes die doorgaans voorbehouden zijn aan vrouwelijke popsterren? In plaats van de gangbare mannelijkheid af te wijzen, transformeerde Janssen deze door middel van camp-achtige overdrijving en genegenheid.
Questioning the Gaze
Tijdens de voorstelling kwamen steeds weer vragen naar voren over representatie, gender en lichamelijke autonomie.


Simone Winder ging in haar werk Buttscrunched in op de steeds vager wordende grenzen tussen sportkleding, shapewear en de seksualisering van het vrouwelijk lichaam. Geïnspireerd door haar observaties in de sportschoolcultuur vroeg Winder zich af waarom hedendaagse sportkleding vaak juist die lichaamsdelen benadrukt die van oudsher het doelwit zijn van de heteroseksuele mannelijke blik.
Met haar collectie wilde ze de zeggenschap over deze beeldvorming terugwinnen. Door de ontwerphistorie van sportkleding voor vrouwen onder de loep te nemen, zette ze vraagtekens bij gangbare aannames over sportkleding en legde ze bloot hoe erotische codes zijn verweven geraakt met kledingstukken die als functioneel op de markt worden gebracht. Het resultaat is zowel kritisch als toegankelijk en gaat in op een zeer zichtbaar hedendaags fenomeen.
Fotografie: Branko Popovic