Opinie | Lucas Verweij
Het hoger beroepsonderwijs in Nederland wordt steeds meer naar internationale normen gestroomlijnd. Dit heeft voordelen, waaronder minder uitval en onzekerheid voor de instellingen, en meer flexibiliteit en rechten voor de studenten. Maar er zijn ook nadelen. Gaat het ten koste van de specifieke eigenheid en de kwaliteit van het ontwerponderwijs?
Kortgeleden werd de ‘Herziening van beroeps- en opleidingsprofielen voor het kunstvakonderwijs’ gepresenteerd.[1] Op een Utrechts bedrijventerrein troffen educatie-professionals uit het hele land elkaar om van gedachten te wisselen over het beroep ontwerper en het beroep kunstenaar. Als je een kunstacademie als een auto beschouwt zaten hier de ontwikkel-ingenieurs bij elkaar. Mensen die de kleppen afstellen en nieuwe types modellen kunnen verzinnen. Ik had het er erg naar mijn zin met de mecaniciens uit heel het land. Iedereen was er. We borrelden na afloop en aten stukjes selderie met mierikswortel. De vraag die ons bij elkaar bracht was: hoe zien het beroep ontwerper en het beroep kunstenaar er nu en in de toekomst uit? Consensus daarover is noodzakelijk voordat kunstenaars en ontwerpers kunnen gaan opleiden. In onderwijsjargon heet dat dan: ‘Actualisering van beroeps- en opleidingsprofiel om afstudeerders startbekwaam te maken.’
Ontwerper of kunstenaar?
Laat ik eerst één mythe uit de weg ruimen: aan kunstenaars en ontwerpers worden tegenwoordig géén verschillende eisen meer gesteld. Vijf jaar geleden was het nog zo dat erkend werd dat het proces van het maken van kunst verschilde van het maken van design (net als het eindproduct). Het huidige voorstel is een volledige gelijkschakeling van beide disciplines. Het proces om tot een ontwerp te komen is – tijdens de opleiding – gelijk aan het proces om tot kunst te komen. En ook de eisen aan beide eindresultaten zijn dezelfde. Laat dat even op u inwerken.
Aan iedereen die al jarenlang betoogd heeft dat er geen verschil is tussen ontwerp en kunst: gefeliciteerd, jullie hebben gewonnen. Het verschil is nu ook formeel uitgewist, gladgestreken en verdampt. Zelf behoor ik niet tot de feestvierders, omdat ik er nooit van overtuigd ben geworden dat de kunst-design grens zo dun is als zij vaak wordt voorgesteld. Ik zie nog steeds in alle galeries en musea een scepsis tegenover design. Ik zie aparte curatoren, budgetten en awards, verschillende netwerken en fondsen met verschillende formulieren en soms keiharde, uitsluitende voorwaarden voor toegang van design tot kunstengelden. Toegegeven: in het lokale kunstcentrum om de hoek maakt men geen onderscheid. Maar hoe dichter je bij de top van het vak komt, des te groter worden de hiaten en de cultuurverschillen, en des te taaier de misverstanden en het onbegrip. Misschien is het net als met wielrennen en schaatsen: bij de amateurs gaat het allemaal prima samen. De ene week rammen op het ijs en de volgende week lekker stoempen op de pedalen – het doet allebei pijn aan de benen. Maar in de top functioneert dat niet meer. Het is vanuit de opleidingen te billijken dat het verschil tussen kunst en design niet meer wordt gemaakt. Als startkwalificatie is het verschil niet relevant, we beginnen tenslotte allemaal met lekker stoempen in de kunst of het design.
De pijlers van de standaardisering: Bologna en studiepunten
Terug naar het ontwerponderwijs, dat door de jaren heen steeds meer op regulier hbo-onderwijs is gaan lijken. Dat begon met de bachelor-masterstructuur, die braaf werd geïmplementeerd in het kunstvakonderwijs. Was dat verplicht? Nee, verschillende Duitse academies zijn nooit bachelor-master geaccrediteerd. Ze hadden er geen behoefte aan en vertrouwden op hun eigen statuur. De invoering van Bologna (de bijnaam van de bachelor-masterstructuur) heeft veel vijfjarige opleidingen ‘opgeknipt’ en verkort. Alle docentenopleidingen zijn van vijf naar vier jaar teruggegaan en ook verschillende ontwerpopleidingen, zoals de Design Academy.
Daarna kwam ECTS,[2] een studiepuntensysteem dat de inspanning vastlegt die het halen van een onderwijseenheid vereist. Een student haalt dertig punten per semester en dat mag op elk denkbare manier: in enkele grote eenheden, in veel kleine, of een combinatie ervan. ECTS maakte van het onderwijs Legoblokken, het ontneemt vakinhoud zijn eigenheid omdat deze losgezongen wordt van de context. Ook deze modulariseringsoperatie bracht nivellering: hij biedt studenten de mogelijkheid om puntjes te ‘sprokkelen’ en om alleen ‘pretvakken’ te volgen. Het zicht op de ontwikkeling van individuele studenten is in een breed modulair landschap moeilijker. Een student kan makkelijker onder de radar blijven.
Natuurlijk heeft modulair onderwijs ook voordelen, zoals de mogelijkheid te flexibiliseren of in een andere volgorde te studeren. Een student kan dertig of vijftien punten ergens anders gaan halen, hetgeen we een ‘minor’ noemen. Overigens leiden minors de facto óók tot vakspecifieke nivellering. Met vrijgemaakte minor-ruimte (zoals op de HKU) kan een curriculum nog maar 3,5 jaar omvatten. Zo zijn we via Bolonga en ECTS al van vijf naar 3,5 jaar op de kunstacademie gegaan, een krimp vergelijkbaar met de inflatie van Nicaragua.
Meer pijlers van standaardisering: studentrechten, examencommissie, financiering
Ook bij de introductie van examencommissies (1993) en het uitbreiden van hun mandaat en hun onafhankelijkheid (2010) volgden de academies het hbo eendrachtig. Langzaam namen de rechten van de studenten toe. Zo kan je op de meeste scholen alleen ‘van school gestuurd worden’[3] als je in het eerste jaar te weinig punten haalt. Eenmaal aan boord van een opleiding kan je niet meer tot stoppen gedwongen worden. Dat was in mijn schooltijd heel anders. Eén op zes studenten mocht starten, waarvan de helft het eerste jaar niet doorkwam. Daarna vielen er her en der nog meer mensen af, waardoor uiteindelijk maar een kwart van de starters (vijf procent van de aanmelders) afstudeerde. De ‘doorstroom’ op academies, die vroeger dramatisch laag was, ligt nog maar weinig onder die van reguliere hbo-opleidingen.
‘Blijven zitten’ of ‘een jaar niet halen’ zijn begrippen uit de verleden tijd. Zoals gebruikelijk in het hbo mag een student wat hij niet haalt later herkansen. Een student heeft het recht zijn ontbrekende Legosteentje op elk ander moment aan zijn verzameling toe te voegen, tenzij uitdrukkelijk geregeld is dat dat niet kan. Niemand doet nog een heel jaar over, terwijl iedereen die in het onderwijs werkt, weet dat dat nog niet zo gek was. Waarschijnlijk is een meerderheid van de docenten voor herintroductie van het oude ‘doubleren’. Maar ja, rechten zijn rechten.
De scholen en de overheid hebben hier bovendien hetzelfde belang als de studenten, hun betalende ouders en de studiefinanciering. Iedereen wil dat een student die aan een opleiding begint het succesvol en vlot afmaakt. ZONDER VERTRAGING AUB. Dat heet ‘nominaal studeren’ en dát is de heilige graal. Het wordt door de overheid financieel beloond en levert tevreden studenten en ouders op. Een lage uitval en weinig vertraging is de consensus maar leidt vanzelfsprekend tot niveauverlaging. Scholen pronken met ‘lage uitval’ terwijl ze volgens mij zouden moeten pronken met hoge uitval doordat het niveau zo hoog is. Alle genoemde partijen willen dat ook een matig student gewóón afstudeert. Dat voorkomt namelijk financiële schade voor de opleiding en klachten van ouders of studenten, en geeft geen andere teleurstellingen. Een diploma werkt als een speen: het maakt tevreden en houdt iedereen zoet.
Vakinhoud en beoordelen
En dan is er de vakinhoud. Studenten hebben het recht om op voorhand te weten wat er van ze gevraagd wordt in het onderwijsaanbod. Die inhoud moet toegankelijk zijn voordat het onderwijs start. Ook zijn er regels wie de studenten mag beoordelen en moet er vooraf duidelijk zijn hoe dat gebeurt en welke beoordelingscriteria er zijn. In het laatste golfje bureaucratisering op mijn werkplek is voorgeschreven dat beoordelingen alleen gegeven kunnen worden door mensen met een certificaat in beoordelen.[4] Je kan dus niet meer zomaar een geweldige kunstenares invliegen om een vak te geven én haar de studenten laten beoordelen; die mag alléén beoordelen als zij daartoe gecertificeerd is. En ze moet vooraf vertellen wat ze gaat doen en waarop ze beoordeelt. Een gezamenlijke, ontdekkende reis met een ongewisse uitkomst en nog onbekende doelen of criteria is studenten niet meer voor te zetten, het is simpelweg verboden.
Portfolio assessments
Mocht u denken: dit is ouderwets geneuzel, dit gaat niet op voor onze school want wij hebben ‘portfolio assessments’ – wij hebben zelfs geen vakken meer; de student evalueert zijn eigen leerdoelen en prestaties. Ik zal niet uitweiden over wat de verschillen zijn, maar het is een feit dat de doorstroming met progressievere beoordelingsmethodes nog hoger wordt. Per saldo zijn er nóg minder studenten die afvallen, iets niet halen, of iets over moeten doen. Studenten kunnen in holistische assessments makkelijker compenseren, hetgeen betekent: ‘Ik heb dit onderdeel weliswaar onvoldoende gedaan, maar in dat andere vak is te zien dat ik het toch kan.’ Progressievere beoordelingssystemen zijn aangenamer voor alle betrokkenen, maar ze leiden wel gemakkelijk tot inhoudelijke nivellering omdat er geen definitieve lat meer is om overheen te springen. Het doet denken aan de speenwerking: het is aangenaam voor alle betrokkenen maar komt het de kwaliteit van het onderwijs ook ten goede?
Safe space
Een paar jaar geleden was er een verhitte discussie in het kunstvakonderwijs over ‘safe space’, dat wil zeggen een veilige leeromgeving. Er waren studenten die het luid eisten en anderen die het verfoeilijk vonden. Kunstopleidingen zijn al enorm veel veiliger, betrouwbaarder en voorspelbaarder geworden in de laatste decennia. Vanuit studentenwelzijn is dat ook te legitimeren. Maar sluit dat ook aan op het beroepsprofiel van de creatieve professional? In elk leerboek over creativiteit en artistieke processen is te lezen dat deze beroepsbeoefenaar met meer dan gemiddelde onzekerheid moet kunnen omgaan. Minder duidelijkheid en meer losse stelschroeven zijn inherent aan onze sector. Zou het onderwijs die vaktypische eigenschap niet ook moeten hebben?
Op elke open dag ontmoet ik wel een paar bezorgde ouders die hun angst voor de kunstacademie met me delen. Het is een angst uit vervlogen tijden. Als je het toelatingsexamen weet te halen en niet extreem slecht presteert in het eerste jaar heb je de meest onzekere hobbels wel gehad. Wat daarna komt is niet fundamenteel ‘unsafer’ dan een opleiding tot sociaal werker of leraar Duits. Als leraar Duits kan je tijdens de stage van alles en nog wat overkomen.
Zijn kunstacademies dus ‘vertrut’?
Ik vat samen. Het verschil tussen kunst en ontwerp is niet meer. Bologna en minors hebben de opleidingen verkort. ECTS versplinterde ze en sloeg de onzichtbare verbanden eruit. Examencommissies faciliteren berekenend studeren. Toegenomen studentrechten, holistische assessments en de financieringsstructuur hebben uitval vrijwel nihil gemaakt. Vakbeschrijvingen en transparante beoordelingen door gecertificeerde beoordelaars maken resultaten voorspelbaar.
Kun je dat vertrutting noemen? In de synoniemenlijst van het begrip staan woorden als conformisering, bureacratisering, verplatting en verburgerlijking. Die beschrijven de ontwikkeling van kunstacademies in de laatste decennia ten voeten uit, maar mogelijk is dat in lijn met de huidige maatschappelijke rol van kunstenaars en ontwerpers. Het is in ieder geval in lijn met wat we van ons onderwijs verlangen. De academies hebben zich volledig aan de reguliere hbo-eisen aangepast. Het is tijd om weer eens wat autonomer te worden. Ik ga mijn mecanicien-vrienden optrommelen met veel mierikswortel om te zien wie er voor een contrarevolutie te porren is. Misschien zullen het wel alleen de boomers onder hen zijn. Nou ja, dan is dat maar zo.
[1] Door het Overleg Beeldend Kunstonderwijs.
[2] European Credit Transfer and Accumulation System.
[3] Bindend afwijzend studieadvies.
[4] Certificaat BKE (BasisKwalificatie Examinering).
Foto: Maaike Ronhaar
Lees de reactie van Bob Verheijden op dit artikel: Vertrutting kunstonderwijs is ander probleem dan versmelting van kunst en ontwerp.